De bedrijfsarts

‘Herrewijnen!’
Aan de overkant van de in blokken, zeer gekleurde hal staat een klein vrouwtje. Ze kijkt naar de ontvangsthal en herhaalt: ‘Herrewijnen.’
Dat ben ik en ik zit meteen met een dilemma. Ik heb een tasje met mijn papieren en portemonnee en een kop thee, die ik beiden mee wil nemen… maar hoe? Ik vraag of ze mij kan helpen, mijn tas kan aanpakken, maar ze verzet geen stap. Ik loop naar haar toe en overhandig zonder scrupules mijn tas aan haar en loop terug voor het kopje thee.
Dan loop ik achter haar aan naar een kamertje. Daar rondkijkend zie ik niks persoonlijks, een wit bureau, twee stoelen aan mijn kant en een door de ARBO goedgekeurde stoel. Verder een kale ruimte. Ze zet mijn tas op het bureau.
We nemen plaats, zonder ons aan elkaar voor te stellen. Ik weet haar naam, doordat ze op mijn brief van ‘Zorg van de zaak’ met name genoemd is en mijn naam weet ze doordat ze die in haar computer leest. Zo ver de kennismaking en de bijpassende beleefdheidsvormen.

Ze begint het gesprek en vraagt wat er met er met mij aan de hand is. Ik vertel, dat ik op 25 juli tijdens de vakantie ben gevallen en daarbij mijn schouder heb gebroken. Ze typt mijn antwoord gehoorzaam in haar computer en kijkt mij daarbij zo goed als niet aan.
– ‘Wat hebt u er tot nu toe aan gedaan?’
Uhm… Wat verwacht ze nu voor antwoord?
– ‘Gewacht tot het aan elkaar groeit.’
– ‘Ja maar, is het geopereerd? Heeft u al dokters gezien?’
– ‘Nou ja, ik heb de dokters in het ziekenhuis gezien, die steeds de röntgenfoto’s hebben bekeken en hebben verteld, hoe het langzaam maar zeker aan elkaar groeit. En ik ben al vrij snel gestart met fysiotherapie.’
Ik voel dat ik mijn best doe, om te weten te komen, wat ze nou eigenlijk wil horen.
– ‘Ja maar, het is niet geopereerd?’
– ‘Oh. Nee, dat niet.’
Ze typt: ‘Niet geopereerd, conservatieve manier.’
Ha, ik heb het goede antwoord gegeven.

Ze informeert naar mijn werk. Ik vertel dat ik voor de klas sta.
– ‘Heeft u kleine kinderen?’ vraagt ze.
Huh? Kleine kinderen? ‘Ik heb groep 5, als u dat bedoelt.’
– ‘Dus u hoeft ze niet te tillen?’
– ‘Nee, de kinderen in mijn groep zijn 7 of 8 jaar en worden dit jaar 8 of 9.’
Ze typt hardop pratend: ‘Dus niet tillen.’
– ‘Heeft u een onderwijsassistente?’
Huh?
– ‘Nee.’
– ‘U kunt weer wat meer gaan werken, als u een onderwijsassistente in de klas erbij heeft. Heeft iemand anders op uw werk een onderwijsassistente, die bij u in de klas het werk kan doen?’
Wat?!?! Een onderwijsassistent, die het werk kan doen. Hoe ziet ze dit dan voor zich? Daarbij… ik heb nog nooit een onderwijsassistente in de klas gehad. Daar is toch helemaal geen geld voor. Allerlei argumenten en redeneringen ratelen door mijn hoofd. Stop.
– ‘Nee, wij hebben op school geen onderwijsassistentes.’

Ze pakt er een kalender bij:
– ‘U bent nu 6 weken verder?’
– ‘Nou,’ zeg ik, ‘wel íets meer dan 6 weken.’
Ik denk ondertussen na over haar telvermogen. Ik voel me recalcitrant worden.
– ‘Oh, ja, iets meer… als ik even kijk naar de herstelperiode, die bij breuken hoort, dan staat daar 6 tot 8 weken voor.’
– ‘Ja, dat klopt,’ zeg ik, ‘bij gewone breuken.’
Ik pak de röntgenfoto erbij die gemaakt is in Noorwegen. Ik leg uit wat er te zien is.
– ‘Ik had twee breuken, de kop was eraf en die breuk is nu bijna onzichtbaar geworden, de tweede breuk is lastiger, omdat die niet helemaal aansluit. Dus dat duurt langer. Ik mag nog niet tillen of het belasten. Daar mag ik volgende week voorzichtig mee beginnen.’
– ‘Oh, de breuk zit bovenin de arm, bij uw schouder. Dat zijn inderdaad vervelende breuken. En het is zeker ook gezet.’
Ik doe nog een poging: ‘Ja, dat hebben ze ook gedaan. Maar wat het vooral lastig maakt, is dat alle spieren van mijn schouder tot aan mijn pols last hebben van het te weinig bewegen. Vandaar dat ik met fysio ben gestart om zo goed en snel mogelijk mobiel te worden.’
– ‘Maar u belast het nog niet?’
Ik schud nee… dat zei ik toch net al?
– ‘En hoe is het met de pijn?’
Ik vertel, dat ik elke dag nog pijn heb bij het bewegen, ook napijn na het bewegen en de fysio en dat ik slecht slaap hierdoor.
– ‘U ervaart pijn bij het bewegen en als u niks doet?’
– ‘Dan ook.’
Ze vraagt naar medicatie en ook dat wordt in het scherm getypt.
Ik wacht. Ik observeer mezelf. Fijn dat ik wel naar mij kijk.

Ze doet me voor hoe ik moet gaan zitten, ze laat zien, waar haar ellebogen haar stoel raken en hoe ze haar schouders houdt. ‘U kunt wel administratieve taken op u gaan nemen. Daarvoor heeft u op uw werk een plek nodig waarbij het bureau moet worden ingesteld op de hoogte, die voor u het beste is. En als dat niet kan, dan moet de stoel, waarop u zit, aangepast worden.’ Ze draait haar stoel om en laat haar schouders zien.
– ‘U moet natuurlijk uw schouders ontspannen, dus als u werkt moeten ze niet te laag zijn, maar ook niet te hoog. Anders gaat uw schouder vastzitten.’
Ik krijg een duidelijk beeld voor geschetst, hoe er voor mij een stoel en een bureau geregeld moeten worden, die verstelbaar zijn. Ik zie de reacties op mijn werk voor me.

Ze luistert als ik vertel, dat ik tot nu toe elke week één keer op school aan het werk was en één keer thuis en dat ik deze week voor het eerst heb voorgelezen in mijn klas.
– ‘Mooi, dus u neemt alweer lessen op zich.’
– ‘Nee, zeg ik, dit was de eerste keer dat ik in mijn klas een activiteit heb gedaan, omdat ik dat eerder nog niet kon. Voor lesgeven ben ik nog niet zelfstandig genoeg.’
– ‘Wat bedoelt u met zelfstandig?’
– ‘Dat ik veters kan strikken, bekers kan openmaken, bij kinderen uitleg kan geven, kortom zelfstandig zonder pijn voor de klas kan staan.’
Ik vertel ook, dat ik na een studiedag, die ik leidde als leescoördinator 3 dagen stijf en stram was en veel pijn ervaarde. Dat als ik les geef of kinderen begeleid te weinig goede bewegingen maak en mijn soepele herstel juist tegenhoudt. Dat mijn fysiotherapeut juist vertelt, dat ik moet voorkomen om niet te veel in dezelfde houding te blijven zitten, maar juist heel bewust moet letten op hoe ik beweeg.
– ‘Ik wil graag contact opnemen met uw behandelende arts. Dan kan ik van hem horen hoe ver u bent en meer inzage krijgen.’
– ‘Met wie wilt u contact opnemen?’
– ‘Met uw behandelende arts.’
– ‘Wilt u de gegevens van mijn fysiotherapeut? Die weet hoe ver ik ben en wat ik al kan.’
– ‘Nee, die heb ik niet nodig. Bij wie bent u in het ziekenhuis geweest?’
Ik laat de afspraakkaarten van het ziekenhuis zien. Daar staat geen naam op, alleen “traumapoli assistent”. Ik vertel, dat ik nu drie keer in het ziekenhuis ben geweest en steeds een andere arts heb gezien.
– ‘Dus u weet geen naam?’
– ‘Nee.’
– ‘Heeft uw huisarts uw gegevens?’
– ‘Dat weet ik niet, ik neem aan, dat het ziekenhuis de verslagen heeft doorgestuurd. Maar dat weet ik niet zeker. Ik ben alleen naar de huisarts geweest om een verwijsbrief te krijgen.’
– ‘Ha. Hoe heet uw huisarts?’
O jee, hoe heet ze ook al weer? Iets met Tjon Tsien of zo. En de nieuwe huisarts ken ik nog niet, omdat ik eigenlijk nooit naar de dokter ga. De oude dokter is met pensioen gegaan. Ik kom er niet op, dus ik zeg: ‘Ik ben in augustus bij een arts in opleiding langs gegaan, omdat ik anders 3 dagen moest wachten op een afspraak en ik wilde…’
– ‘Hoe heette die arts?’
Oeps, dat weet ik ook niet. Tja, arts in opleiding, die ik alleen maar nodig had voor het briefje.
– ‘De praktijk heet de Waterring.’
Ze schrijft het op het formulier en wil de andere gegevens ook hebben voor haar administratie. Ik zeg dat het in Wateringen is. Ze streept het eerste zinnetje door. Praktijk Wateringen.
– ‘Nee, zeg ik. Het is praktijk dé Waterring in Wateringen’.
Het kost wat moeite, maar het staat er na wat gekras toch goed op. Zo trouwens ook het adres, want ik vergis me in de straatnaam. Best lastig, de fysiotherapeut zit op de Julialaan en de huisarts op de Julianastraat. Ook dat wordt krassen.
Ze typt het adres in haar scherm en zoekt de praktijk op op google.
– ‘Dus u bent bij dokter van Dalen geweest?’
Ik heb werkelijk geen idee, maar het zal wel, als zij die naam op het scherm ziet staan.
– ‘Ik wil een brief sturen voor meer informatie. Dus met wie moet ik contact opnemen?’
– … (ik zeg niks)
– ‘Ik neem wel contact op met dokter Tjon-A-Tsien … of met van Ham, die staat ook op de site?
Wie? Het zal wel, ik knik alleen maar. Ik onderteken het formulier, nadat ik het heb nagekeken. Ik ben er wel een beetje klaar mee. Ik krijg steeds meer het idee, dat wat ik vertel, niet zo veel indruk maakt; dat ze korte antwoorden wil intypen en dat wat ik zeg niet zo interessant is.
Ik haak af…

Ze vraagt: ‘Kunt u uw werk zittend doen? Afbeeldingsresultaten voor voor de klas staanWant staan voor de klas gaat nog niet, zegt u.’
Ik kijk haar (denk ik) verward aan. Huh?
Ze legt uit: ‘U zegt net, dat u nog niet voor de klas kunt staan, maar dan kunt u toch wel zitten?’
Neeeeee… ze kent de uitdrukking ‘voor de klas staan’ niet.
Maar goed, ik neem haar vraag serieus en zeg: ‘Nee, in een klas met 28 kinderen kun je niet zittend je werk doen. De kinderen hebben ook regelmatig persoonlijke aandacht nodig, dus dan moet je ook door de klas lopen. En in de klas zijn, dat gaat niet, omdat ik mijn arm nog niet opzij kan bewegen en niets kan tillen. En ik ben bang voor onverwachte bewegingen en stoten of dat kinderen aan mijn arm gaan hangen.’
Dat ik wel graag wil werken, dat ik niet graag thuis ben, dat ik het contact mis… ik vertel het niet. Eventuele emoties over mijn onmacht waaien vanzelf weg, ze worden toch niet gehoord, gezien of gevoeld. Er wordt getypt.

Ze kijkt op haar scherm. ‘U wordt wel vervangen, zie ik. Dus u kunt achter in de klas wel bijvoorbeeld administratieve taken op u nemen.’
– ‘Nou,’ zeg ik, ‘ik heb afgesproken om met ingang van volgende week met groepjes kinderen het klokkijken op me te nemen. Dat doe ik dan 2 tot 3 uur, 1x per week.’
Ik vertel, dat ik de afgelopen weken al andere taken op me heb genomen als leescoördinator, coach en als lid van het MT. Dat ik dat één keer per week deed en dan thuis andere dingen op de computer. Dat ik alles in overleg met mijn directeur doe.
Ze typt: ‘Doet al meer taken op school.’
– ‘U zult nog wel langer pijn en stijfheid ervaren. Waarschijnlijk nog wel zo’n drie maanden. Ik adviseer je 3 keer 4 uur per week te gaan werken en dan aangepaste arbeid. Zoiets als administratieve werkzaamheden op een aangepast werkplek. Iets met de kinderen doen, zoals je zei.’
Ik ga er nu toch echt even tegen in. Hallo, heb je wel naar mij geluisterd?
– ‘Dus u adviseert mij 4 uur, terwijl ik net heb verteld, dat ik niet langer dan 3 uur kan werken, omdat dan alles zeer gaat doen. Dan is het toch raar, dat u mij 3 keer 4 uur adviseert?’
Nu kijkt ze me aan: ‘Het is mijn advies om dit te gaan doen. Natuurlijk mag je ook meer gaan werken. Maar het is een advies. Je gaat met jouw werkgever verder in gesprek over de invulling van jouw taken en de hoeveelheid tijd, die je dat gaat doen.’

Ze zegt: ‘Over 6 weken wil ik je weer zien. Dan kun je me vertellen, hoe het dan met je gaat en welke vorderingen je hebt gemaakt.

Goh, echt waar? Kan ik dat? En luistert ze dan?

We staan op. We geven elkaar een hand.

Nu wel.

5 comments

  • Pingback: De bedrijfsarts (2) – Blog van Nienke ~ juf, coach en soms middeleeuwer

  • Sterre Sign

    Van A (rts) naar B (eter worden): wat een verhaal! Wat kunnen mensen toch ongelooflijk NIET LUISTEREN !!! Deze arts moet eerst zelf beter worden (B); en dan is het pas tijd om arts (A) te worden.
    Bij mijn schouderblessure heb ik ook zo’n vreemde bedrijfsarts gekregen. Zijn ze allemaal zo “opgeleid”?

  • Anders van der Meij

    Hoe kan zo iemand ook maar iets “adviseren” als de inhoud van het beroep / de fysieke belasting door de taakuitvoering bij die arts onbekend is? Dit advies is geensdeels gebaseerd op de gezonheidstoestand van de (zieke) werknemer en ook niet in het belang van die werknemer. Wiens belang wordt door deze “bedrijfsarts” nagevolgd? Dat moet dus de werkgever zijn, of misschien het eigwn belang van die “arts”?

    • Ja, raar, he… eerst niet weten, welke leeftijd wat nodig heeft, dan vragen of deze kinderen zullen begrijpen, dat ze niet aan mijn arm moeten komen. En dan vervolgens geen idee hebben, dat je niet alleen kunt zitten voor de klas. Als ik met ze naar buiten ga en een ruzie of driftbui moet tegenhouden, dan kan dat bijna niet anders dan met gebruik van beide armen of in ieder geval zonder angst dat ik een ongecontroleerde beweging met pijn moet maken.
      Gelukkig is het maar een advies wat ze geeft, zo ver was ik wel met het nalezen van mijn rechten en plichten als werknemer. Die had ik gevonden op de site van het CNV. Dat advies hoeft dus niet nageleefd te worden, wat ik afspreek met mijn werkgever (directeur) is veel belangrijker. En dat is ook na te leven in mijn geval.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.